Het stationsgebouw van 's-Hertogenbosch op 8 maart 2014.
Station ‘s-Hertogenbosch
Ht
Opening: 1 november 1868
 
Spoorlijn(en): Utrecht – Boxtel km 47,9
  Tilburg – Nijmegen km 22,3
  Lage Zwaluwe – ‘s-Hertogenbosch km 46,3
Links: Sporenplan  
  NS Stationsinfo  

Bij de aanleg van de eerste reeks staatsspoorlijnen krijgen de verschillende stations naar aanleiding van de grootte van de plaats doorgaans één van de vijf standaardontwerpen van stationsgebouwen. Een aantal stations valt echter onder de Vestingwet en krijgt een laag, vaak langgerekt gebouw dat bestaat uit houten stijl- en regelwerk opgevuld met steen en cement. Alle zogenaamde vestingstations zijn verschillend. In november 1868 nemen de Staatsspoorwegen aan het station van ‘s-Hergogenbosch als tijdelijk beginpunt van de lijn van naar Eindhoven in gebruik. Twee jaar later is de complete staatslijn H tussen Utrecht en Eindhoven gereed. ‘s-Hertogenbosch krijgt een zeer langgerekt stationsgebouw dat over de gehele lengte slechts uit één bouwlaag bestaat. Het symmetrische gebouw heeft een naar voren staand middendeel met puntgevel. Beide zijvleugels hebben halverwege nog een bouwdeel met puntgevel dat enigzins naar voren staat.

Nadat in 1874 de Vestingwet is aangenomen, verliezen de steden hun militaire betekenis en zijn de houten stationsgebouwen geleidelijk vervangen. ‘s-Hertogenbosch is als één van de eerste steden aan de beurt. In 1893 begint zo’n driehonderd meter ten zuiden van het station de bouw van het imposante stationsgebouw in neorenaissance stijl. Door de verplaatsing van het station kan via de nieuwe Stationsweg een monumentale entree naar de stad worden gecreëerd. Het nieuwe stationsgebouw is 140 meter breed. Het gebouw is symmetrisch en kent een hoog middendeel met twee torens en een opvallend ruime entree. Aan beide zijden komen lange lage zijvleugels die worden afgesloten met een hoog eindgebouw met eveneens een kleine toren op de hoek. In het rechter eindgebouw staat een stoommachine voor de elektrische verlichting. Het gebouw heeft hierdoor een opvallend hoge schoorsteen. Het station krijgt een ruim opgezet eilandperron met een geklonken ijzeren kap van maar liefst 450 meter. Ook het perron langs het stationsgebouw krijgt een dergelijke overkapping. Het middendeel is ter hoogte van het stationsgebouw hoger dan de rest van de kap. Op het zijperron bestaat het lage deel uit een dubbele kap. Vanwege de slechte bodemgesteldheid is gekozen om beide perrons met een loopbrug te verbinden. Naast trappen is de brug als enige in Nederland ook met hellingbanen. Het nieuwe stationscomplex is in 1896 gereed. Het oude stationsgebouw is hierna nog zo’n twintig jaar in gebruik als tramstation.

In 1944 raakt het stationsgebouw tijdens de bevrijding van de stad zwaar beschadigd. In 1950 is besloten de restanten van het gebouw definitief te slopen en te vervangen door nieuwbouw. Het nieuwe stationsgebouw is in 1952 gereed. Het gebouw is 85 meter breed en opgebouwd uit verschillende bouwstijlen. Het ontwerp is opnieuw nagenoeg symmetrisch en voorzien van een hoog middendeel met centrale entree en lage zijvleugels. Haaks op de hogere eindgebouwtjes komt aan de linkerzijde een korte gallerij met puntdak en aan de rechterzijde een bouwdeel met horeca. De oude perronkappen blijven tijdens de oorlog gespaard. Begin jaren ’90 wordt besloten het stationsgebouw te slopen om ruimte te maken voor een nieuwe brede voetgangerstraverse over het emplacement om zo het nieuw te ontwikkelen stadsdeel achter het station met de stad te verbinden. Ook zijn er plannen de oude perronkappen te vervangen, deze worden echter in 1995 benoemd tot Rijksmonument. Het oude stationsgebouw is in 1996 gesloopt om ruimte te maken voor nieuwbouw. De stationsklok krijgt hierna een plek op de gevel van winkelcentrum Noordkade in Veghel. De karakteristieke torentjes van de eindgebouwtjes komen in 2002 terecht in het in 2007 gesloten themapark Land van Ooit in Drunen.

In 1998 is het nieuwe stationsgebouw gereed. De haakvormige nieuwbouw bestaat grotendeels uit een kantoorgebouw van vijf verdiepingen. De entree wordt geaccentueerd door een hoge ronde toren en een grote glazen pui die enigzins schuin voor het gebouw hangt. In de glaswand komt een lichtkunstwerk. De entree leidt direct naar de trappen, roltrappen en lift naar de hooggelegen stationshal die aansluit op de nieuwe voetgangerstraverse over het emplacement. De zogenaamde passerelle bestaat eveneens grotendeels uit glas. Het station wordt bovendien uitgebreid met een tweede eilandperron. De beide perronkappen uit 1896 zijn tijdens de verbouwing van het station geheel gerestaureerd. Voor de hellingbanen is echter geen plek meer. Ook zijn de kappen ter hoogte van de passerelle voortaan onderbroken.