In 1970 introduceert NS het concept Intercity. Een frequente en snelle verbinding tussen de 40 grootste stations, uitgevoerd door het meest comfortabele materieel, in de loop van de jaren ’70 en ’80 steeds vaker herkenbaar aan de speciale geel-blauwe huisstijl. Verschillende verbindingen worden echter al dan niet geheel met stoptreinmaterieel uitgevoerd. Na twintig jaar verhoogt NS de eisen en degradeert een groot deel van de IC-lijnen tot sneltreinverbinding. In 2012 stapt NS over naar een systeem met alleen nog Sprinters en Intercity’s. Materieelsoorten lopen opnieuw door elkaar. In het voorjaar van 2021 maakt NS bovendien bekend dat al het reizigersmaterieel weer dezelfde huisstijl krijgt. Opvallend genoeg informeert de vervoerder de reizigers vanaf oktober dat jaar voor het eerst wanneer sprintermaterieel in een intercitydienst rijdt.

In 1970 voert NS tijdens Spoorslag ’70 het concept Intercity in. Voortaan verbindt de ’40 steden tempotrein’ de belangrijkste Nederlandse stations met een frequente dienstregeling. Stoptreinen zorgen voor de aanvullende diensten. Voor het rijden van de snelle treinen wijst NS het comfortabele Materieel ’54 en de Plan E-rijtuigen aan. Terwijl een deel van het Materieel ’54 de daaropvolgende jaren wordt verbouwd tot volwaardig intercitymaterieel met eigen huisstijl, ontwikkelt NS moderne rijtuigen en treinstellen voor de snelle diensten. In de tussentijd zijn alle soorten rollend materieel in de IC-diensten aan te treffen en zijn de treinen, met uitzondering van de verbouwde hondekoppen, niet aan de buitenzijde te herkennen. In de loop van de jaren ’80 zit NS in de meeste Intercitydiensten de nieuwe IC-treinstellen en -rijtuigen in. Het materieel is, net als de verbouwde hondekoppen, te herkennen aan de geel-blauwe huisstijl. Ook het Materieel ’54 heeft in de jaren ’80 nog een belangrijk aandeel in de intercitydiensten. Hierbij maakt NS echter nooit onderscheid tussen de verbouwde en niet-verbouwde treinstellen. Op een aantal IC-verbindingen rijdt bovendien structureel stoptreinmaterieel als het Materieel ’64. Ook de nooit gemoderniseerde Plan E-rijtuigen rijden nog tot 1988 in de intercitydienst.

In de loop der jaren breidt NS de intercitydiensten uit en is extra materieel nodig. Daarnaast is het Materieel ’54 in de jaren ’90 aan vervanging toe. Naast extra Koplopers bestelt NS ook nieuwe dubbeldekkers voor de Intercitydienst. Begin jaren ’90 verscherpt NS de eisen aan de IC-diensten. Voortaan mag alleen officieel intercitymaterieel de diensten rijden. Hierbij telt het Materieel ’54 niet langer mee. Als gevolg hiervan degraderen onder andere de langeafstandsverbindingen Hoofddorp – Enschede, Den Haag – Venlo, Den Helder – Nijmegen en Zwolle – Roosendaal tot sneltreindienst. In het Spoorboekje krijgen de treinen voortaan een S voor het treinnummer. Met het verdwijnen van het Materieel ’54 promoveert de verbinding Hoofddorp – Enschede het daaropvolgende jaar alweer tot IC-dienst. Op andere lijnen blijven langer sneltreinen rijden.

In 2003 introduceert NS naast de stoptrein, sneltrein en Intercity de Sprinter. De sprinterdiensten worden met het gemoderniseerde en het nieuw gebouwde sprintermaterieel uitgevoerd. Het concept Sprinter krijgt een eigen huisstijl. Zodra een stroptreindienst volledig met sprintermaterieel wordt uitgevoerd, krijgen de treinen op de treinaanwijzers de titel Sprinter. In de daaropvolgende jaren zijn verschillende stoptreindiensten omgevormd tot sprinterdienst. Sneltreindiensten promoveren diezelfde periode weer tot Intercitydienst. In 2012 stapt NS over naar het tweetreinensysteem van Sprinters en Intercity’s. Een gevolg hiervan is dat treinen die soms slechts enkele stations overslaan worden gepromoveerd tot Intercity. Door de verhoudingen in de materieelvloot worden verschillende IC-diensten al dan niet compleet met stoptreinmaterieel uitgevoerd. Eén van de oplossingen is het verbouwen van het dubbeldeksmaterieel voor de stoptreindiensten tot intercitymaterieel. Hierdoor ontstaan 50 treinstammen voor de intercitydienst en kan NS vrijwel consequent IC-materieel in de IC-diensten inzetten en sprintermaterieel in de sprinterdiensten.

Begin 2021 maakt NS bekend dat al het rollend materieel weer dezelfde huisstijl krijgt. Hiermee wordt de komende jaren het uiterlijke onderscheid tussen Intercity’s en Sprinters ongedaan gemaakt. Vanaf oktober 2021 vindt NS datzelfde onderscheid echter zo belangrijk dat IC-diensten die met sprintermaterieel worden uitgevoerd een extra toelichting op de treinaanwijzers boven de perrons krijgen.

Doordat NS vanaf de zomer van 2021 na alle beperkingen door de coronamaatregelen weer de normale dienstregeling rijdt, er verschillende Intercitytreinstellen defect zijn én de 49 DDZ-treinstammen nog altijd niet ingezet kunnen worden, ontstaat een tekort aan Intercitymaterieel. In het najaar wijst de vervoerder twee verbindingen aan waar (een deel van) de Intercity’s planmatig met sprintermaterieel wordt uitgevoerd: De Intercitydienst tussen Utrecht en Rotterdam wordt vanaf eind september volledig met SLT-treinstellen gereden. Het grootste deel van de Intercity’s tussen Zwolle en Roosendaal wordt vanaf 11 oktober met SNG-treinstellen gereden.

Op de foto boven dit artikel zijn SNG-treinstellen 3014 en 2329 op 31 oktober 2021 bij Diepenveen onderweg als Intercity van Zwolle naar Roosendaal, een rit van zo’n twee uur en drie kwartier. Op onderstaande foto één van de treinaanwijzers in Deventer met de vooraankondiging dat de Intercity naar Zwolle met Sprintermaterieel gereden zal worden op 29 oktober 2021.